Spring naar inhoud

Toegankelijkheidsopties:

DE 'FJOUWERACHTEN' VAN EELTJE HOLTROP VAN DER ZEE EN AUKE VAN DER ZEE

Pag. 19-29 SSRP Monografie 02 De 'Fjouwerachten' van Eeltje Holtrop van der Zee en Auke van der Zee

Heiloo, 6 maart 1976, E.Q. Duyvis

Als men in Friesland het kleinere ronde open schip met een lengtemaat van 5 meter of korter wilde aanduiden, dan sprak men in de vorige eeuw steeds van een 'boat' of 'boatsje'. Het woord 'tjotter' is daar pas ná 1900 ingeburgerd. Het werd in Friesland voor het eerst gebruikt in het wedstrijdprogramma van de Sneker zeilwedstrijden in 1882 en wel voor de klasse 'open booten, geen scherpe vaartuigen'. In de werfboeken van E.H. van der Zee zal men dit woord tevergeefs zoeken, Eeltje baas gebruikte nimmer de aanduiding 'tjotter'. De grote tjotter heette bij hem in de boeken steeds 'boot'.
De schepen die wij in dit artikel in het bijzonder willen bespreken hebben alle de afmeting: lang 4.80 meter en breed aanvankelijk (1856) 2.10 meter, drie jaar later 2.30 meter en vanaf 1874 2.40 meter, de typische latere breedtemaat van dit soort schepen. Deze boten worden door de Friezen 'fjouwerachten' genoemd, omdat ze 4,8 meter lang zijn. De lengte en breedtematen verhouden zich bij deze stoere schepen als 2 : 1.
Van de boekhouding van de werf te IJlst, resp. Joure uit de tijd van de Van der Zee's bestaan nog zeventien werfboeken, waarvan het Dagboek later werd gemerkt Nr. I. Van enkele vaartuigen gaf E.H. van der Zee een gedetailleerde omschrijving met afmetingen van onderdelen, prijzen etc. in het Grootboek, later genummerd Deel II. De Delen III t/m XVII zijn in het algemeen rekeningboeken betreffende reparaties en soms nieuwbouw. Uit het Dagboek (Werfboek I) is de volgende lijst samen te stellen van boten, die 4.80 meter ('4 el 8 palm') lang zijn met grotere breedte dan 2 meter:

Bouw-volgordeBouw-jaarBreedte-maatOpmerkingen
1 en 218562.10 m 
318592.30 m 
4, 5 en 61861/62onbekend 
718672.30 m 
818742.40 m 
918822.40 m 
101882onbekend 
1118832.40 mdit is uit de praktijk bekend
1218872.40 m 
1318912.40 m 
1418922.40 m 
1518942.40 m 
    
Auke   
1618992.40 m 
(1719151.75 m) 
1819162.40 m 
1919162.40 m 

Ofschoon ook andere bouwers boten van deze maat hebben gemaakt (ons zijn exemplaren bekend van Kalkman 480/240 – ‘Gouwzee’ – 1922, Hiemstra 480/240 – ‘Argo’ -1910, en Lantinga 480/220 - 'Vrouwe Anna Beatrijs' - 1907) lijkt het nauwelijks aan twijfel onderhevig te zijn, dat de robuuste 'fjouweracht 480/240' op de Jouster werf als vanzelf onder de scheppende, nijvere en kunstzinnige handen van Eeltjebaas als vast type wedstrijdboot is ontstaan en dat dit type ook door andere bouwers duidelijk werd nagebouwd. Een voorbeeld hiervan is de 'Argo'. Hiemstra was een oude knecht van E.H. van der Zee. Hij vestigde zich later zelfstandig als boten bouwer te Sneek.
In het boek Ronde en Platbodemjachten, in 1962 onder redactie van mr. dr. T. Huitema verschenen, lezen wij op bladzijde 85: 'In enkele gevallen is een tjotter 'gepiekt', dat wil zeggen dat de spantvorm enigszins S-vormig is. Dat was als regel het geval bij in Joure gebouwde tjotters. Deze gepiekte vorm is al zeer oud en kon onder andere worden vastgesteld bij een in 1961 in de Noordoostpolder opgegraven spiegelschip, dat in de tweede helft van de zeventiende eeuw is vergaan.' Werd bij de bouw van de 'fjouwerachten' de lengtemaat meestal aangegeven in ellen (= meters) en palmen (decimeters), de breedtemaat beschreef men doorgaans in voeten en duimen. 1) Ook J. Vermeer stelde bij zijn onlangs gedane opmetingen van de 'Albert en Nelly', in 1891 op de Jouster werf van stapel gelopen, vast dat de Amsterdamse voet van 283 mm blijkbaar bij de Jouster scheepsbouw gold. Hij vond deze maat precies terug bij de afstand tussen de inhouten. De lengte van de 'fjouweracht' is dan op de kop af 17 voet. Een feit is, dat op de werf te Joure, naar verhouding meer dan op andere werven, nogal wat plezierjachten werden gemaakt (boeiers, Friese jachten, 'fjouwerachten' en enkele boeierkes, prachtig afgewerkte sierbootjes tot ca. 4 meter lengte met een leeuwtje op het roer, een specialiteit van Eeltjebaas).

De nauwkeurige boekhouding die E.H. van der Zee bijhield

Een prettige bijkomstigheid bij de beschrijving van boten van de Jouster werf is de nauwkeurige boekhouding, die E.H. van der Zee bijhield met vermelding van de belangrijkste maten van de schepen die hij afleverde. Aan de hand hiervan konden wij nagaan hoeveel 'fjouwerachten' op de werf werden gebouwd en wat hun kenmerken zijn. Weliswaar hield Aukebaas de boeken na 1900 niet zo goed bij als zijn vader, maar kleinzoon Eeltje Romkema maakte weer wat goed in de jaren na circa 1906. Hij heeft veel schepen, die later ter reparatie (terug) kwamen, nagemeten en de resultaten daarvan vastgelegd. En nu de vraag: Maar zijn dan de ronde schepen op de werf in Joure gebouwd door Eeltje Holtrop van der Zee zo bijzonder? Het antwoord luidt volgens de kenners inderdaad volmondig: ja. Men is het er algemeen over eens, dat de ontwikkeling in de ronde houten scheepsbouw bij deze bouwmeester, die leefde van 1823-1901, haar hoogtepunt bereikte. De hand in hand gaande sierlijkheid en doelmatigheid van model, de degelijke afwerking tot in onderdelen, ook van ijzeren koperwerk, alsmede de kunstzinnige versiering maken de werkstukken van de Jouster werf onevenaarbaar, hoewel uiteraard meteen moet worden opgemerkt dat ook een aantal andere scheepsbouwers vele malen zeer fraaie schepen heeft gemaakt.

Nadat schrijver dezes in 1970 in het bezit geraakte van een zogenaamde 'fjouweracht', mogelijk van de hand van E.H. van der Zee, is hij gaan speuren naar herkomst en identiteit van deze tjotter. Door middel van een advertentie in de Waterkampioen (jaargang 1970 nr. 23) met foto werd getracht reacties van kenners uit te lokken. Vanzelfsprekend kwam hij bij dit speuren ook terecht bij de afschriften van de werfboeken van E.H. van der Zee (1848-1857 en vooral 1857-1894), die hij mocht inzien bij drs. N.E.E. Vroom in het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. Toen de heer F.G. Spits en schrijver dezes begin 1975 uitgebreid contact hadden over de 'fjouwerachten' van E.H. van der Zee en A. van der Zee, in het bijzonder betreffende de maten, die in de werfboeken zijn te vinden, kwamen zij tot de slotsom dat er 19 boten van dit type zijn gebouwd. 2) Hier volgt dan hetgeen zij van deze 19 schepen te weten zijn gekomen in de loop van de laatste jaren. Opgenomen zijn alle boten met de in de werfboeken genoteerde lengtemaat van 4 el 8 palm, (4,80 meter).

'Fjouwerachten' bij het admiraalzeilen op het Heegermeer, 1972. Voorop 'Albert en Nelly', tweede 'Twa Sisters'. Foto Obbema

1. Opdrachtgever: A.A. Kuipers, Heidenschap. Bouwjaar: 1856.

'Boot 4 el 8 palm'  'wijdt in de midden 7 voet 5 duim' 'wijdt in 't vlak 4 voet 10 duim' 
Prijs f 356,21 met de volgende specificatie van dit bedrag:

Boot
f 215,00
Smit
f 27,30
Zeilmaker
f 80,20
Mastmaker
f 16,85
Koperwerk
f 6,86
Snijwerk
f 10,00

----------

f 356,21

Dit was dus verhoudingsgewijs een betrekkelijk smal schip (circa 2.10 meter) en nog geen echte 'fjouweracht'. Niet bekend is, waar dit schip is gebleven.

2. Opdrachtgever: G. Zijlstra, Drachten. Bouwjaar: 1856

'lang 4 el 8 palm' 'wijdt 7 voet 5 duimen'
Ook van deze boot weten wij verder niets.
De eerste twee 'fjouwerachten' zijn gebouwd op de werf in IJlst, waar E.H. van der Zee van zijn grootvader van moederszijde, Eeltje Taedzes Holtrop, het scheepsbouwervak leerde. De laatste is in 1848 overleden en de kleinzoon volgde hem op. In 1857 ging Eeltjebaas met zijn bedrijf naar Joure, waar ook alle volgende 'fjouwerachten' ontstaan zijn.

3. Opdrachtgever: J. Zuidema, Grouw Bouwjaar: 1859

lengte: '4 el 8 palm' breedte: 'Wijdt 8 voet' prijs: f 315,70 Deze eerste op de werf te Joure gebouwde 'fjouweracht' heeft een kloekere breedte (circa 2.30 meter) dan de beide vorige boten. In de jaren 1859-1868 nam J. Zuidema veel deel aan wedstrijden van de zeilvereniging 'Oostergoo' te Grouw en won daar meermalen de prijs of premie. Het schip is ons niet anders dan uit archivalia bekend.

4. Opdrachtgever: A.A. Kuipers, Workum. Bouwjaar: 1861

breedte: niet vermeld
Ook van dit schip weten wij helaas niets.

5. Opdrachtgever: 'voor mijzelve' Bouwjaar: 1862

lengte: '4 el 8 palm' breedte: niet vermeld
Deze boot is in het bouwjaar 'verkocht naar Luik. Prijs f 330,- zonder tuig'.
Verdere gegevens onbekend.

6. Opdrachtgever: 'van mijzelve' Bouwjaar: 1862

lengte: '4 el 8 palm' breedte: niet vermeld
Deze boot is in 1862 verkocht naar Amsterdam. 'Prijs f 400,- met zeilen. Zelve er met overgeseilt' tekende Eeltje in het werfboek op.
De botenverhuurder en handelaar J. Wolfrat aan de Amstel bij Amsterdam was een relatie van E.H. van der Zee. Uit de werfboeken blijkt, dat J. Wolfrat als tussenpersoon of wel als opdrachtgever optrad voor de werf te Joure. Mogelijk is hij betrokken geweest bij de verkoop. Verdere gegevens onbekend.

7. Opdrachtgever: Fokke de Vries, Koevorderhuis. Bouwjaar: 1867

lengte: '4 el 8 palm' breedte: 'wijdt 8 voet' 'hol 3 voet 4 duim'
Het werfboek geeft als bijzonderheid aan: 'met berghout. Prijs f 250,- zonder tuig'.
Deze boot heet 'Tsjits' en is eigendom van H. Posthuma te Leeuwarden, die het schip eigenhandig restaureerde. Dit fraaie schip vaart in Friesland onder stamboeknummer 418.

8. Opdrachtgever: B. Bouma, Grouw Bouwjaar: 1874

lengte: '4 el 8 palm' breedte: 'wijd binnenwerk 8 voet 3 duim'
Dit is dus de eerste echte 'fjouweracht' met een lengte en breedteverhouding van 2 : 1. Het werfboek geeft de volgende bijzonderheden:

PostBedrag (f)
Materiaal (hout en spijkers)205,39
Snijwerk15
Koperslager20,38
Smit30
Verf (verwer)7
Werkloon80
IJzerkiel16
 ------------
Totaal373,77

G.J.W. van Waning tekent aan: 'Uit de materiaallijst blijkt, dat deze boot een 'ijzerkijl' had, lang 13 voet (3,68 meter). De prijs is afzonderlijk vermeid naast die van het overige smidswerk ad f 30,-. Het heeft er alle schijn van, dat hier sprake is van een 'zeilkiel'. Een opmerkelijke nieuwigheid in 1874, die gelukkig geen navolging vond'.

De volgende aantekeningen van de maten, betrekking hebbende op dit schip uit 1874, zijn waarschijnlijk van de hand van Eeltje Romkema:
'voorsteven 5 voet 7 duim
achtersteven 3 1/2 voet
kiel 13 voet lang
vlak 19 voet
boegen 21 voet
mastbank 7 voet 10 duim
koker 3 voet 3 duim
zetboorden 12 voet
roer 4 voet 5 duim
zwaarden 5 voet 5 duim bedel balie 6 voet lang'
Van deze boot is ons ook door aanschouwing niets bekend.

9. Opdrachtgever: 'voor onszelve' Bouwjaar: 1882

lengte: '4 m 80 duim' (hier is duim dus centimeter)
breedte: 'wijd binnenwerk 8 voet 3 duim'
'wijd in 't vlak 5 voet 6V2 duim'
'hol voor bij zeilwerk 3 voet 8 duim' kosten f 333,89
'werkloon kost mijzelve f 115,19'
Op deze 'fjouweracht' betrekking hebbende aantekeningen van Romkema:
'voorend 6 voet 10 duim
zwaarden lang 5 voet 8 duim
zwaarden breed 3 voet 10 duim
roer 4 voet 3 duim
voorsteven 6 voet kiel 13V2 voet
vlak 19 voet
mastbank 7 voet 6 duim
koker 3 voet 6 duim
bedel balk 6 voet lang
zetboorden 11 voet lang'.
Niet bekend waar deze boot is gebleven.

10. Opdrachtgever: J. Wolfrat, Amsterdam Bouwjaar: 1882

lengte: '4 el 80 duim' (= centimeter) breedte: niet bekend

PostBedrag (f)
Boot350
Koper35,85
Verf (verwer)25,98
Roei-ijzer (loeifijzer)9,85
Mast9
11 Blokken12,5
 ----------
Totaal443,18

Onbekend wat er van deze boot is geworden.

11. Opdrachtgever: Provinciale Waterstaat. Bouwjaar: 1883

lengte: 4.80 meter
De breedte is niet in het werfboek aangegeven, maar we kennen deze uit de praktijk: 2.40 meter.
'Met mast, gestel, zeilen, touwwerk en alles f 600,-' tekent Eeltje aan. Gestel had waarschijnlijk betrekking op de uitrusting als tonnen legger: hijsbalk of 'dove jut'. De 'Wilhelmina' (zo heeft dit schip altijd geheten) werd namelijk gebruikt als betonningsvaartuig. Circa 1955 kwam het in handen van F.G. Spits te Groningen, die deze sobere, zwaargebouwde, maar fraaie tjotter aan het Zuiderzeemuseum schonk. De identiteit van deze 'fjouweracht' staat vast. Dit schip heeft geen snijwerk.

12. Opdrachtgever: I. Rosier, Warga Bouwjaar: 1887

Het dagboek vermeldt uitvoerig: 'lang 4 m en 8 palm
wijd binnenwerk 8 voet 3 duim
wijd in vlak 6 voet
voorend lang 7 voet
zwaarden lang 5 voet 4 duim
zwaarden breed 3 voet 9 duim
hol voor bij zeilwerk 4 voet 3 duim
hol bij de steven achter 4 voet 1 duim
hol op de kiel 3 voet 6 duim

PostDetailsBedrag (f)
Boot 370
Mast 12
Giek met ijzerwerk(lang 4.20 meter)27
13 Blokken 13,5
2 Bomen 2,6
Roeft (loefte) 0,8
Gaffel 5

Vleugel en Scheerhout

 1,5
Loodgewicht 15
Verf (verwer) 39,4
Koperslager 45,5
Smit 73
Totaal 623,3

De vormgeving, bouworde en afwerking van deze 'fjouweracht' voor Rosier, die 'De Jonge Minne' gedoopt werd, stond Eeltjebaas kennelijk wel aan, want bij geen van de vroegere soortgenoten vinden we in de werfboeken de maten door hemzelf zo uitgebreid opgetekend als hier, terwijl bovendien dit schip enkele malen is nagebouwd. Dat was in 1892 bij de bouw van de 'Twa Sisters', die bij de verstrekte opdracht echter '2 duim holder' gemaakt moest worden en bij de bouw in 1894 van de 'Triton; waarvan het werfboek vermeldt: 'net als Ro' (Rosier is hier kennelijk bedoeld).

Eerste eigenaar van 'De Jonge Minne' was dus Ids Rosier te Warga, die veel aan wedstrijden deelnam en vele malen prijs of premie in de wacht sleepte. (Sneek, Grouw enz. 1887-1905). Van 1909-1922 was eigenaar O.B.J. Doude van Troostwijk te Loenen aan de Vecht, die de naam wijzigde in 'Wolja' en op de Loosdrechtse plassen voer. Zeilteken: OF5. Van 1922 tot 1953 was deze 'fjouweracht' eigendom van Schneider te Bussum onder de naam 'Molle'. Hij ruilde het schip in bij werf Dubbeld te Knollendam (N.H.) in 1935. Hierna volgt een hiaat van 15 à 18 jaar. Van 1950 tot 1953 vinden wij als eigenaar A.C. van Bengen, die de tjotter 'Marjan' noemde. Van september 1956 tot aug. 1957 was eigenaar G.Th. Kortbeek te Utrecht. Daarna tot april 1960 was de 'fjouweracht' in handen van J. Krijgsman te Aalsmeer onder de naam 'Jan'. In april 1960 werd eigenaar J. van der Sloot te Amsterdam, die het schip restaureerde met medewerking van enkele oudere vaklieden van G. de Vries Lentsch te Amsterdam. Alle boegen werden vernieuwd. In maart 1963 verwierf Ph.A.M. Henkensfeldt Jansen te Amsterdam de 'fjouweracht' onder de naam 'Jan'. De tjotter kwam op de Hiswa-tentoonstelling in Amsterdam als blikvanger voor de stand van Verz. Mij. 'Diligentia'.
In augustus 1970 kocht E.a. Duyvis te Koog aan de Zaan de 'Jan'. Hij ging met de tjotter in Friesland varen onder de oorspronkelijke naam 'De Jonge Minne', stamboeknummer 276. De heer C.B.J. Doude van Troostwijk te Rotterdam zond de hierbij afgebeelde wedstrijdfoto (ca. 1920?) met de tjotter.

De 'fjouweracht' 'Wolja', ex 'De Jonge Minne', naar een foto, in het jaar 1920 (?) genomen op de Loosdrechtse plassen, in het bezit van de familie Doude van Troostwijk.

13. Opdrachtgever: H.A. Wassenaar, Hilversum. Bouwjaar: 1891

Zo uitvoerig als het werfboek melding maakt van het vorige exemplaar, zo beknopt is het thans: 'De heer Wassenaar, een nieuwe boot. Prijs f 600,-'. En wat een prachtig schip is de 'Albert en Nelly', genoemd naar de kinderen van de heer Wassenaar. Het heeft stamboeknummer 321.
Tot in de puntjes is het afgewerkt. Het is kwalitatief van heel hoog gehalte. Elders in dit jaarboek vindt u deze fraaie 'fjouweracht' uitvoerig getekend en beschreven. De 'Albert en Nelly' heeft een bewogen geschiedenis achter de rug, zoals u zult lezen:
Eerste eigenaar H.A. Wassenaar te Hilversum. Reeds in 1892 in handen van Th. Zandstra te Sneek en begin 1900 van J. Zwart te Sneek. Van 19-07-1913 is de 'Albert en Nelly' eigendom van A. ten Cate te Sneek, een enthousiast wedstrijdvaarder en propagandist voor 'fjouwerachten'. Daarna is zij vele jaren eigendom van F.H. Pijttersen te Sneek onder de naam 'Marnocht' (1913-1936). Latere eigenaren zijn J.H. Halbertsma te Sneek (19361938) en J. Kuipers te Sneek. Na de tweede wereldoorlog is deze 'fjouweracht' zelfs in Canada onder de naam 'Fryslan' en dan bezit van F. Schoch te Bloemendaal, die de tjotter kocht van R. Dragt te Aalsmeer. Sinds 1962 eigendom van J. Vermeer te Arnhem, die het schip zijn oorspronkelijke naam 'Albert en Nelly' teruggaf.

Hardzeilen van 'fjouwerachten' op de Langweerder Wielen in het jaar 1912, Winnaar is het derde schip van rechts, de 'Albert en Nelly', stuurman en eigenaar Anton ten Cate te Sneek.

Hier volgen twee passages uit een brief van 17-5-1971 die drs. H. Halbertsma ondergetekend schreef:
'Met de 'Albert en Nelly', later 'Marnocht' heb ik als jongen veel gezeild. De heren Anton ten Gate en Feite Hendrik Pijttersen waren ooms van mij. Van 1936-1938 was de 'Marnocht' eigendom van mijn vader, de heer J.H. Halbertsma, die het schip cadeau kreeg van zijn oom, de heer Pijttersen. Zonder potige schipper kon het schip echter niet worden gemanoeuvreerd. Er kon 40 m2 doek op staan, en vraag niet wat het schip bij harde wind te verduren had. Men moest met de rug tegen het roer staan en kwam na een dag zwaar zeilen half gebroken thuis. Het geweld was zo groot, dat het schip dwars door het water bruiste en een ongelooflijke baan achter zich trok. Voor de wind moest men deksels oppassen anders 'dook' het schip en liep via de plecht vol.
Er waren twee stel zeilen en masten, naar gelang men voor plezier of voor 'hardzeilen' voer. Het zeilen met deze schepen was heel moeilijk en niet te vergelijken met het zeilen van een kieljacht. Men moest er echt gevoel voor hebben en het schip begrijpen. ...' 'Bij flinke bries waren deze schepen op hun best en bij ruime wind bepaald snel. Laveren ging minder vlot, zij vielen gemakkelijk af, vooral bij flauwe wind. Was het schip overtuigd dan ontstond er een wolk van schuim een prachtig gezicht voor anderen, maar voor de bemanning echt 'krachtpatserij'. Maar daar houden (en hielden) de Friezen erg van, en het materiaal was erop berekend.'
Deze jeugdherinnering van drs. Halbertsma geeft ongetwijfeld een even pakkende als juiste beschrijving van de 'hardzeilerij' met tjotters en andere ronde jachten uit de jaren, toen zij nog onder vol wedstrijdtuig (met langere mast en 40 meter doek) bij schier elk weer op de wedstrijdbanen verschenen. Een rif steken werd bijna als een schande beschouwd, waardoor de vraag of een overtuigd en dus slecht getrimd schip werkelijk harder zeilde dan een soortgenoot met evenwichtige zeilvoering, niet of nauwelijks rees, aldus G.J.W. van Waning.

Het Kleinzand te Sneek met de vloot huurschepen van A. Taconis en R. Moedt. Halverwege ligt de 'fjouweracht' 'Marnocht', ex 'Albert en Nelly'. Naar een foto uit het jaar 1938.

14. Opdrachtgever: W.S. Visser, Gaastmeer. Bouwjaar: 1892

Bijzondere aantekening in het werf-boek: 'Gelijk als dat van Rosier maar geheel 2 duim holler'. Naam: 'Twa Sisters'. Geen stamboeknummer.
Deze 'fjouweracht' kwam reeds vrij spoedig in handen van J. Haagsma te Workum en is nog steeds in handen van de familie Haagsma. De geschie¬denis van dit uitstekend onderhou¬den schip staat onomstotelijk vast. Anders dan de ons bekende 'fjouwer-achten' heeft de 'Twa Sisters' geen zeven maar acht boegen. Belang¬wekkend is, dat de oorspronkelijke onderdelen als bijvoorbeeld de twee opstekers (verlengstukken), beho¬rende bij de botteloef, en de oor¬spronkelijke zetboorden nog aanwe¬zig. Het schip blijft ’s winters in het water liggen en komt voor de opknapbeurt slechts enkele dagen op de helling.
De boegen (huidplanken) zijn alle nog oorspronkelijk. Slechts op een enkel punt heeft geringe vernieuwing plaats gevonden. Wel een bewijs, dat Eeltjebaas bijzonder goed hout gebruikte voor zijn schepen. In de twintiger en dertiger jaren heeft de 'Twa Sisters' veel wedstrijden gevaren en met succes. De 'Albert en Nelly' uit 1891, die van 1913-1936 in handen was van F.H. Pijttersen te Sneek, onder naam 'Marnocht', was toen de grote concurrent. Maar ook in de zeventiger jaren leeft de oude strijdlust tussen de eigenaars van de 'fjouwerachten' nog en des zomers treffen 'Twa Sisters', 'Albert en Nelly' en 'De Jonge Minne' elkaar op het Sneeker-, Heeger of Gaastmeer temidden van de Heger tjotters en andere concurrenten en bloeit een nobel verleden weer op in sportieve strijd, waarbij de illustere schepen aan elkaar gewaagd zijn en omstanders doen genieten van een prachtig schouwspel in het Friese landschap.

Na een daartoe gemaakte afspraak in september 1970 was de nauwkeurige vergelijking van de naast elkaar afgemeerde 'Twa Sisters' en 'De Jonge Minne' een belangwekkende belevenis. De eerstgenoemde werd in 1892 immers gebouwd naar het voorbeeld van Rosier's schip van 1887. Welnu we vonden tot in vrijwel alle onderdelen inderdaad zeer grote gelijkenis dan wel volkomen gelijkheid met dit verschil, dat de 'Twa Sisters' een wat hoger schip is en een boeg méér heeft dan de 'De Jonge Minne' en de andere nog bestaande 'fjouwerachten' van Eeltjebaas.

15. Opdrachtgever: Van der Sluis. Akkrum. Bouwjaar: 1894

'Een boot voor de heer Van der Sluis net als van Ro' Prijs f 264,52 Mast lang 25 voet (bout en hommer) giek 14 voet loefijzer 4 voet met koper en snijwerk' naam: 'Triton'.
Eerste eigenaar Van der Sluis was arts te Akkrum. Vast staat dat R. Buisman in 1908 met de 'Triton' deelnemer was in de klasse 'fjouwerachten' aan de wedstrijden ter gelegenheid van het zestigjarig bestaan van de K.Z. V. 'Oostergoo' (zie wedstrijdboek). Aan de hand van twee foto's uit 1909 en 1911 van de 'Allegretto' (de 'Triton' is in 1909 van naam veranderd) en met behulp van gegevens, verstrekt door de heer J.J. Halbertsma te Peize, is vast te stellen, dat deze 'fjouweracht' een aantal jaren, te beginnen met 1909 of 1910, eigendom is geweest van de heer Hijlke Halbertsma te Sneek. In 1925 kwam het schip in handen van H.J. van Leeuwen te Baarn. In 1927 was eigenaar H. Lith te Zaltbommel. Van 1927-1948 was het eigendom van notaris mr. Ph. M. Muus te Utrecht. Het voer toen op de Loosdrechtse Plassen onder de naam 'Allegretto' onder zeilteken OE 4.
Het schip heeft in de oorlogsjaren ernstig geleden. In 1953 zijn B. van der Molen en zijn schoonvader Smit te Amsterdam enkele jaren eigenaar geweest van de 'Triton '. Zij kochten de tjotter toen zij al in zeer slechte staat verkeerde. De zwaarden waren verwijderd en aan de kiel was een stuk spoorrails bevestigd, 'ter stabilisering en tegen het afdrijven. ...' Zij knapten de tjotter weer wat op en voeren er enkele jaren mee op het IJsselmeer. Omdat een van de eigenaars naar het buitenland vertrok is de tjotter in 1957 voor een symbolisch bedrag aan de padvinderij verkocht, die er een platte kajuit op timmerde. Het volgende jaar werd het schip van de hand gedaan en de nieuwe eigenaar zou het naar de Biesbos hebben verkocht. Sindsdien is het spoorloos.
Schrijver dezes heeft een foto uit 1958, die deze 'fjouweracht' laat zien, 'verzopen' liggend in een Amsterdamse gracht, terwijl het schip wordt leeg gehoosd. Na de oorlog heeft de 'Allegretto' twee gaten in de voorsteven opgelopen. Daardoor kan de identiteit worden vastgesteld. De geschiedenis van het schip geeft er een voorbeeld van, hoe een varend monument ten onder kan gaan door onoordeelkundig gebruik en verwaarlozing.

16. Opdrachtgever: T .K. Zandstra, Sneek Bouwjaar: 1899

Dit schip, 'De Jonge Dirk', vaartonder stamboeknummer 14.
In het werfboek staat er niets over vermeld. In het bezit van de huidige eigenaar dr. H. Hamminga te Zuidlaren is echter een door E. Holtrop van der Zee getekende rekening d.d. januari 1900, die betrekking heeft op deze boot. Prijs: f 450,-. Eeltje baas is dan 76 jaar en waarschijnlijk heeft hij de leiding wel al overgedragen aan zoon Auke, die dan 45 jaar is. Wij hebben al eerder laten doorschemeren, dat Auke niet zo'n nauwkeurig bijhouder van de werfboeken was. Vandaar, dat dit schip mogelijk niet te boek is gesteld. Opdrachtgever was T.K. Zandstra te Sneek, die er achttien jaar mee voer. In 1918 kwam dit schip in handen van S. Hepkema te Leeuwarden, die de naam veranderde in 'Farrensnoft'. Aanvankelijk was 'De Jonge Dirk' een gewone boereboot. De nieuwe eigenaar liet er snijwerk op aanbrengen. Meer dan een halve eeuw is de 'Farrensnoft' in het bezit geweest van de familie Hepkema. De huidige eigenaar Hamminga gaf deze 'fjouweracht' zijn oorspronkelijke naam, 'De Jonge Dirk', in 1971 weer terug.

17. Opdrachtgever: 'Rijkswaterstaat, Zeeburgerdijk te Amsterdam. Bouwjaar: 1915

Auke vermeldt in het werfboek: 'lang 4.8 wijdt binnenwerk 6 voet, wijdt in 't vlak 4 voet 2 duim'. Dit is dus weer een opvallend smal schip en in feite een gewoon 'boatsje: Het hoort naar onze smaak niet in deze reeks Jouster 'fjouwerachten' thuis. Van de boot is verder niets bekend.

18. Opdrachtgever: Jhr. O. van Swinderen, Loosdrecht. Bouwjaar: 1916

'lang 4 m 80, wijdt in 't vlak 6 voet, wijdt binnenwerk 8 voet 3 duim

OmschrijvingKosten (ƒ)
Hout416,75
Werkloon325,59
Zeilmaker en touw250,29
Mastmaker84,2
Snijwerk25
Smid97,6
Koperslager42,75
Verf en lak35
Diversen127,76

--------
Totaal1404,94

Naam: 'Aleide Anna'. Geen stamboeknummer. De boot, weer een echte 'fjouweracht', is nog steeds eigendom van de familie Van Swinderen. Het fraaie snijwerk is duidelijk van dezelfde hand als dat van 'De Jonge Minne', 'Albert en Nelly' en 'Twa Sisters'. Ruim 50 jaar had het schip in Loosdrecht zijn thuishaven. Sinds 1971 ziet men het in Friesland varen.

19. Opdrachtgever: H.J. Staverman, 's-Gravenhage. Bouwjaar: 1916

Dit was de laatste 'fjouweracht', die op de Jouster werf van stapel liep. In het werfboek staat: 'augustus 1916, de heer H.J. Staverman te 's-Gravenhage, een tjotter als vorenstaand 1 1/2 duim holder. Prijs f 1530,-. 3). Van dit schip is niets bekend. Mogelijk heeft het een boeg meer gehad dan de gebruikelijk zeven (vergelijk: 'Twa Sisters').

Van de negentien 'fjouwerachten', door Eeltjebaas en Aukebaas gebouwd, zijn er, voor zover ons thans (maart 1976) bekend, nog zes in de vaart:

71867Tsiits'418H. Posthuma, Leeuwarden
121887De Jonge Minne'276E.Q. Duyvis, Heiloo
131891Albert en Nelly'321dr. J. Vermeer, Arnhem
141892Twa Sisters' D.J. Haagsma, Workum
161899De Jonge Dirk'14dr. H. Hamminga, Zuidlaren
181916Aleida Anna' jhr. A.A. van Swinderen, 's-Gravenhage

De 'fjouweracht' 'De Jonge Dirk' in de Houkesloot bij Sneek. Op de achtergrond de voormalige oliemolen van de gebroeders Herre en Hylke Kingma aan de Oudvaart. Aan het roer de eigenaar J.K. Zandstra te Sneek. Naar een foto uit circa 1910.

Rekening in het bezit van de heer H. Hamminga te Zuidlaren, betreffende 'De Jonge Dirk', in 1899 door Eeltje Holtrop van der Zee geleverd aan J.K. Zandstra te Sneek.

Nog een enkele opmerking tot slot

  • Vastgesteld kan worden, dat het vrijwel ondoenlijk is om waterdichte bewijzen te leveren omtrent herkomst en identiteit van een aantal 'fjouwerachten'. Vroegere eigenaren van schepen van negentig en meer jaren oud zijn vaak niet meer in leven. 
  • Een kenmerk van door de Van der Zee's gebouwde ronde schepen was doorgaans de gepiekte vorm. Toch hebben ook enkele andere bouwers gepiekte schepen gemaakt (bijvoorbeeld Visser te Paterswolde en Hiemstra te Sneek). Zoals reeds eerder werd opgemerkt: Hiemstra was een voormalig knecht van Eeltjebaas en het werk vertoont zeer veel overeenkomst met dat van de Jouster werf (vergelijk de in 1910 gebouwde 'fjouweracht 'Argo' van A. ten Cate te Sneek, die nog in de vaart is). Karakter van ijzeren koperwerk, snijwerk, roer en zwaarden kunnen bij gepiekte schepen soms aanwijzingen geven voor het aanwijzen van de bouwer. 
  • Op dit ogenblik is nog niet met zekerheid te zeggen, wie de bouwer is geweest van de 'Arken', een wat aan de smalle kant uitgevallen 'fjouweracht' in het bezit van Schou Jo te Kastrup (Den.). Het is nog een open vraag of de identiteit te gelegener tijd kan worden vastgesteld. Wij achten het kwestieus, dat een van de Van der Zee's of Hiemstra de bouwer is geweest.

Tot besluit wil is gaarne dank brengen aan de heren H.G. van Slooten te Leeuwarden en F.G. Spits te Groningen. De laatste was door zijn grote kennis en door zijn beschikking over een grote hoeveelheid gegevens uit de werfboeken, mijn meest waardevolle informatiebron over de Van der Zee's. Dr. J. Vermeer te Arnhem, drs. U.E.E. Vroom te Enkhuizen en G.J.W. van Waning te 's-Gravenhage wil ik ook danken voor hun hulpvaardigheid bij het tot stand komen van dit artikel.

Heiloo, 6 maart 1976, E.Q. Duyvis

BIJLAGE

Uit het wedstrijdboek van de Koninklijke Zeilvereniging 'Oostergoo' volgen hier onder enkele passages, mede op 'fjouwerachten' betrekking hebbend:

Zeilwedstrijden te Grouw op 3 augustus 1878: , 'Booten 4.4 tot 4.8 m'
R. Vrolijk, Sneek premie
L.P. Lijkles, Grouw
P. van Holkema, Akmarijp
F. Sikkema, Grouw prijs

Zeilwedstrijd te Grouw op 31 juli 1880 'Booten van 4.4 tot 4.8 m'
H. van der Zee, Grouw premie
F. Sikkema, Grouw prijs N.B.
Tot 1887 worden de 'fjouwerachten' kennelijk ingedeeld bij de grote boten, namelijk die van 5.4 tot 4.8 meter.

Zeilwedstrijden te Grouw op 30 juli 1887: 'Booten van 4.8 en daar beneden'
H. van der Zee, Grouw
Gebr. Ottema, Leeuwarden,
'De Jonge Otto' prijs Ids Rosier, Warga,
'De Jonge Minne' premie N.B. 

Tot en met 1899 vinden we dan steeds weer indelingen bij Kleinere, dan wel grotere boten.
Bij het zestigjarig bestaan van de K.Z. V. 'Oostergoo' in 1908 zijn er kennelijk voldoende deelnemers voor een 'aparte klasse 4.8 booten'
A. Kuperus, Sneek 'Drie Gebroeders' premie
A. ten Gate, Sneek, 'Albert en Nelly'
R. Buisman, Leeuwarden 'Triton'
F. Vrolijk, Sneek 'De Jonge Pieter' prijs

Zeilwedstrijden te Grouw in 1909: 'Booten van 4.8 en daar beneden'
F.K. Zandstra, Boornzwaag 'De Jonge Dirk' prijs
Faber en Wijnia, Langweer 'Nemo' premie

In 1911 en 1912 vinden we telkens 'Booten lengte 4.80 en daar beneden getuigd met bezaanzeil' waarbij 'De Jonge Pieter' van F. Vrolijk en de 'Albert en Nelly' van A. ten Cate de ererollen broederlijk delen.
'Na 1912', zo deelt de secretaris H.G. van Slooten mede, 'komt de klasse Booten niet meer op het programma van de K.Z.V. 'Oostergoo' voor.'

NOTEN:

1) De Amsterdamse voet is 28.3 cm verdeeld in 11 duim à 25,7 mmo De Nederlandse el is 1 meter. Werd in dit verband van duimen gesproken, dan zijn dit doorgaans centimeters. Een palm is 1 decimeter.
2) Van der Zee geeft van alle boten de afmetingen in voeten en duimen, tenzij het kennelijk plezierboten betreft met lengteafmetingen 4 el 4 palm en 4 el 8 palm (resp. 4.40 en 4.80 meter).
3) Hier komt het woord tjotter dan eindelijk in de werfboeken voor

SSRP Monografieën 02 De 'Fjouwerachten' van Eeltje Holtrop van der Zee en Auke van der Zee