Spring naar inhoud

Toegankelijkheidsopties:

KENMERKEN VAN DE FRIESE JACHTEN GEBOUWD DOOR JAN VISSER - PATERSWOLDE

Pag. 454-465 SSRP Monografie 31 Kenmerken van de Friese Jachten gebouwd door Jan Visser - Paterswolde

J. Vermeer

Het Friese jacht Argo onder zeil.

1. Inleiding

In het standaardwerk Ronde en Platbodemjachten, in 1962 uitgegeven onder auspiciën van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten, wordt in de hoofdstukken over de Boeier, het Fries Jacht en de Tjotter terecht veel aandacht besteed aan de beroemde Jouster werf van Eelt je Holtrop van der Zee en Auke van de Zee. Immers, verschillende van de mooiste nog bestaande ronde jachten werden daar gebouwd. Daarnaast worden in dit boek als bekwame boeierbouwers nog genoemd: H. Bernhard te Amsterdam, L. en F. Lantinga en J. Croles te IJlst en E. Wester te Grouw. 

Niet recht duidelijk is waarom onvermeld is gebleven dat in Paterswolde tussen 1902 en 1917 een reeks fraaie ronde jachten van stapel liep. Ze zijn gebouwd door Jan Visser, geïnspireerd door het in 1900 door buurman Jaap Helder van Eeltjebaas gekochte Fries Jacht Eeltje, de tegenwoordige Argo. 1) Reeds in 1918 en 1921 werden aan de jachten van Jan Visser zeer lovende woorden gewijd in de destijds bestaande watersporttijdschriften De Watersport en Ons Element. De artikelen 2 en 3) waren van de hand van dr. J. de Jong, rector van het gymnasium te Groningen, zelf in het bezit van een door Visser in 1917 gebouwde tjotter, de Nelly. 4) 

De geschiedenis van het ontstaan van deze jachten is enkele jaren geleden in de reeks Stamboekmonografieën uitvoerig beschreven door mr. dr. T. Huitema. 5) Hiermee is dan recht gedaan aan een zeer bekwame jachtbouwer. Het blijkt, dat op de werf in Paterswolde tussen 1902 en 1917 in totaal acht open ronde jachten met afmetingen tussen 5,30 en 7,45 m zijn gebouwd, waarvan vijf in opdracht van Albert Helder, zoon van Jaap, ten behoeve van diens verhuurbedrijf. 

Het grootste jacht, de Prinses Juliana (7,45 m x 3,00 m), was bestemd voor de eigen verhuurvloot van de firma Visser. Het kwam gereed in 1909 en werd genoemd naar het zojuist geboren prinsesje. Het schip bestaat nog en vaart voorzien van een kajuit -als boeier onder de naam Johan Willem Friso. Nog minstens twee andere jachten hebben de ongunst der tussenliggende tijden overleefd. Het zijn de kleinere Poseidon (5,40 m x 2,30 m) uit 1910 en de Stänfries (7,05 m x 3,00 m) uit 1917, beide gebouwd voor Albert Helder. De schepenlijst van de Stichting Stamboek bevatte tot 1969 ook nog het 6,00 m lange jacht Henriëtte, dat in 1911 als Zwaluw te water was gelaten. Over dit schip is echter sindsdien niets meer bekend. Van de overige vier door Visser gebouwde jachten wordt aangenomen, dat ze niet meer bestaan. Het betreft dan de eerste drie in opdracht van Helder gebouwde jachten: de Zeeleeuwin uit 1902, de Maria uit 1906 en de Luctor uit 1908. Volgens Huitema 5) waren deze alle drie van dezelfde afmetingen, iets kleiner dan het voorbeeld Eeltje/Argo. Waarschijnlijk was de lengte tussen 6,00 m en 6,50 m. De kleinere Nelly (5,35 m x 2,30 m) uit 1917 is blijkens een berichtje in De Waterkampioen in 1927 naar Frankrijk verkocht. 6) 

Verschillende ronde jachten van Van der Zee en ook enkele van andere bouwers (Bernhard, Lantinga) zijn opgemeten. Tekeningen vindt men in bovengenoemd boek, in monografieën van de Stichting Stamboek en in diverse jaarboeken van het Fries Scheepvaart Museum. Bij ons weten is nog nooit een opmeting van een jacht van Jan Visser gepubliceerd. Het is daarom verheugend nu tekeningen van twee in Paterswolde gebouwde jachten te kunnen publiceren. In de zomer van 1981 deed zich de gelegenheid voor opmetingen te doen aan het jacht Stânfries, sedert 1980 eigendom van de heer J. Diepraam te Amsterdam. Evenals het jacht Prinses Juliana kreeg de Stanfries later een kajuit. Wij troffen het aan in de loods van jachtwerf Piersma in Heeg. Zeven jaar later kon op dezelfde werf het jacht Poseidon worden opgemeten. Sinds jaren is dit scheepje in het bezit van de familie Te Siepe. Wij hebben ons er toe beperkt alleen de uitwendige vorm en het aanzicht vast te leggen, dus geen constructieve details.

Het achterschip van het Friese jacht Argo.

Het ligt voor de hand de lijnen van deze schepen te vergelijken met die van het voorbeeld dat Jan Visser in 1900 onder ogen kreeg. De lijnentekeningen van dit voorbeeld, de Argo (wij gebruiken verder de tegenwoordige naam), zijn te vinden in de reeds vermelde publicatie. 1)
Hierbij moet men bedenken, dat de Poseidon uit 1910 stamt en de Stanfries uit 1917. Jan Visser had immers voor 1910 reeds vier ronde jachten gebouwd, zodat bij de hier te bespreken schepen niet meer van directe navolging gesproken kan worden.
De ideeën van Visser kunnen in de loop der jaren zijn geëvolueerd. Onlangs waren wij in de gelegenheid een groot aantal maten te nemen van de tot boeier verbouwde Prinses Juliana, nu Johan Willem Friso geheten. Dit grootste door Jan Visser gebouwde jacht was destijds bestemd voor het eigen verhuurbedrijf van de firma Visser. Het is gedurende 30 jaar in bezit geweest van de familie Fransen te Meppel en is eind 1988 gekocht door de heer J. de Jong te Sybrandaburen, die van plan is het weer in goede staat te brengen.
Wij zullen nu eerst aan de hand van de betreffende tekeningen de kenmerken van de jachten Poseidon en Stânfries bespreken. Daarna volgt een korte beschrijving van het jacht Johan Willem Friso. Vervolgens zullen wij trachten aan de hand hiervan vast te stellen, door welke bijzondere kenmerken de jachten van Jan Visser zich onderscheiden van Friese Jachten, gebouwd op andere werven. 

Tabel 1 geeft een overzicht van de karakteristieke afmetingen van deze drie jachten.

In het laatste hoofdstuk bespreken wij de lijnentekeningen van het Friese jacht Froukje, vervaardigd naar een opmeting in het voorjaar van 1988. Van dit jacht is de herkomst tot nu toe onbekend. De houthandelaar F. Looyen te Gorinchem vond het in 1964 in zeer deplorabele staat, voorzien van een opgetimmerde kajuit, op het opslagterrein van aannemer Van Bokhoven te Dordrecht. Deze wist niets van de voorgeschiedenis. De heer Looyen liet het schip restaureren bij Jachtwerf Joh. van der Meulen en Zn te Sneek, waar het, ontdaan van de kajuit, als open Fries Jacht in 1965 te water werd gelaten. Het jacht heeft enige kenmerken met de jachten van Van der Zee gemeen, maar een definitieve toeschrijving hebben deskundigen niet aangedurfd. Schrijver dezes had al enige tijd het vermoeden, dat het jacht in Paterswolde zou kunnen zijn gebouwd. De huidige eigenaar, de heer A. van der Werf te Arnhem, stelde ons in staat een opmeting uit te voeren. De tekeningen, alsook de voor dit jacht afgeleide verhoudingsgetallen, vertonen zoveel overeenkomst met die van de jachten van Visser, dat wij nu geneigd zijn dit jacht inderdaad aan Jan Visser toe te schrijven.

2. Het jacht Poseidon

De hierbij afgebeelde figuren 1 en 2 zijn verkleinde reproducties van door de auteur vervaardigde tekeningen die het jacht weergeven op een tiende van de ware grootte.
Figuur 1 laat het lijnen plan zien; van beneden naar boven zijn afgebeeld: Waterlijnen, lange lijnen en spanten.
Figuur 2 geeft buitenaanzichten: Zijaanzicht, boven en onderaanzicht en voor- en achteraanzicht. Ook zijn het roer en een van de zijzwaarden afgebeeld. Het lijnenplan toont fraai gestrekte lange lijnen en waterlijnen, vooral in het achterschip.
Opmerkelijk zijn de zogenaamde konen bovenin de kop: de aansluiting van de huid met de voorsteven ligt achter het voorste punt van de huid. Onder het berghout bestaat de huid uit zeven gangen, die van steven tot steven doorlopen. Het vlak is over de gehele lengte gepiekt. De zandstroken gaan met een duidelijke knik over in de aanliggende huidgangen. Ook in de kimmen is een lichte knik te zien tussen het vlak en de hoger liggende boordgangen. De tekeningen verraden inderdaad de afkomst van het voorbeeld Argo, maar er zijn ook duidelijke afwijkingen.
De overeenkomsten zijn:
- de over de gehele lengte gepiekte spantvorm,
- de schuine stand van de boeisel,
- de relatief geringe overhang-voor,
- het fraaie snijwerk op kluisborden, beretanden, bedelen hennebalk en boeisels.

De verschillen zijn:
- de holte op het grootspant is vergeleken met de breedte kleiner dan bij de Argo,
- kop en kont zijn relatief laag, waardoor ook de zeeg gering is,
- het achterschip is minder vol en zeer sterk geveegd,
- de achtersteven staat daardoor ook veel schuiner.
Vooral deze laatste kenmerken lijken door de bouwer bewust te zijn nagestreefd teneinde een snelle zeiler te verkrijgen. Ten bewijze hiervan moge het bovengenoemde artikel van De Jong in het tijdschrift De Watersport 2) worden aangehaald.

De Jong zegt daarin over zijn jacht Nelly:
"Evenals bij de zeer snelle Poseidon en Zwaluw van dezelfde bouwer, werd de traditionele platte bodem vervangen door een zgn. 'bodem met piek', welke een gebroken lijn vertoont. En even verderop: Een derde punt was de bijzondere zorg, die besteed werd aan de bouw van 't achterschip. Zoveel mogelijk werd er naar gestreefd én in het beloop van de bodem én in dat der zijden, dat het water werd losgelaten, terwijl daarentegen de kop vrij vol werd gebouwd "
Hieruit kan men afleiden, dat inderdaad bewust werd gestreefd naar een sterk geveegd achterschip.

De Poseidon in de jachthaven van Heeg, afgemeerd naast de Joris.
De kop en de bedelbalk van de Poseidon.

3. Het jacht Stânfries

De figuren 3 en 4 geven respectievelijk het lijnenplan en zij, voor- en achteraanzichten van het tot boeier verbouwde jacht Stânfries. De spanten zijn getekend op regelmatige afstanden van 50 cm langs de kiel, gerekend vanaf een loodlijn neergelaten vanuit het voorste punt van de voorsteven. De afstanden tussen de lange lijnen bedragen 40 cm en tussen de waterlijnen 20 cm.
Het eerste wat opvalt is dat het jacht is gebouwd op een vrij zware doorlopende kielbalk. Bij de meeste door Eeltjebaas gebouwde ronde jachten is dat niet het geval, ook niet bij het voorbeeld Argo. Het lijnenplan wijkt duidelijk af van dat van de Poseidon. De piek is beperkt tot het voorschip en (heel licht) het verre achterschip. Ter plaatse van het grootspant en over enige afstand daarachter is het vlak zwak V-vormig met een tilling van ongeveer 5 1/2 graad en naar buiten liggende vrij sterk gekromde kimmen. Het gevolg is, dat de onderste waterlijnen ter plaatse van het grootspant betrekkelijk ver naar buiten buigen en daardoor een minder gestrekt verloop vertonen.
Toch is er een opvallende overeenkomst met de hiervoor beschreven Poseidon, waarbij het streven van de bouwer naar een geveegd achterschip tot uiting komt. De tekening van de lange lijnen laat namelijk zien,dat de aansluiting van het vlak met de kiel reeds weer omhoog begint te lopen direct achter het grootspant. Bij de meeste andere ronde jachten is hier eerst bijna een horizontale stilstand. De verticalen verlopen daardoor, ondanks het vrij brede vlak, naar achteren toe toch zeer gestrekt. Het achterschip is dan ook opvallend slank, hetgeen tot uitdrukking komt in de geringe holte gemeten direct voor de stuurbank; bij alle andere ronde jachten van vergelijkbare lengte is die holte circa 20 cm groter.
De aanzichttekeningen laten zien, dat de huid is opgebouwd uit smalle gangen, tien in getal, die alle van steven tot steven doorlopen. De schuinte van de boeisels verraadt nog, dat de Stânfries als open Fries Jacht is ontstaan. Bij echte boeiers staat het boeisel steiler, zeker bij de voorsteven, en is daar ook hoger.
Samenvattend zijn de bijzondere kenmerken van dit jacht:
- breed, zwak V-vormig, vlak met naar buiten liggende kimmen, waardoor betrekkelijk grote aanvangsstabiliteit,
- licht gepiekte spanten in voor- en achterschip,
- betrekkelijk laag en slank achterschip met opvallend geringe holte.

De tot boeier verbouwde Stânfries voor de helling van P. Piersma te Heeg; het snijwerk is geïnspireerd op dat van de Argo.

4. Het jacht Johan Willem Friso (ex Prinses Juliana)

De Johan Willem Friso is het grootste Friese jacht dat in Paterswolde is gebouwd. Het heeft een lengte van bijna 7,5 m over de stevens. Zoals een van de foto's in het artikel van Huitema 5) laat zien, was het kennelijk bestemd om grote gezelschappen een dagje plezier op het water te bezorgen.
In oktober 1989 konden wij, weer op jachtwerf Piersma, de voornaamste afmetingen vaststellen: zie hiervoor tabel 1.
Het streven van Jan Visser naar een vol voorschip is hier tot stand gebracht door de overhang-voor extreem klein te maken: de voorsteven rijst bijna verticaal uit het water op. Het achterschip is veel voller dan bij de hiervoor besproken jachten. De achtersteven staat dan ook tamelijk steil. Om bij deze vollere vormen toch een behoorlijke snelheid te bereiken, is het vlak over de gehele lengte vrij sterk gepiekt; de vlaktilling bedraagt circa 16 graden.
Hieruit blijkt de verwantschap met het voorbeeld Argo. Het zeiloppervlak is vroeger veel groter geweest dan nu; bijgaande foto toont de oorspronkelijke tuigage.

Het Fries Jacht Prinses Juliana (circa 1910), later verbouwd tot boeier en genoemd Johan Willem Friso
De Johan Willem Friso, met de voor de mast doorlopende kajuit, onder zeil op de Beulaker Wiede.

Onder de kielgang is een met een ijzer versterkte kielbalk aanwezig; mogelijk is deze later aangebracht. De huid is opgebouwd uit negen gangen, die van steven tot steven doorlopen. Het boeisel in de kop met de versierde kluisborden en beretanden verraadt nog de herkomst als open jacht. De boeiselrand is bij de verbouwing tot boeier wat verhoogd. Overigens is de belijning van dit jacht minder fraai dan die van de Stânfries. Bovendien verhoogt de voor de mast doorlopende kajuit het aanzien allerminst.
Samengevat zijn de kenmerken van dit jacht:
- volle kop met extreem steil staande voorsteven,
- over de gehele lengte gepiekte spantvorm,
- achterschip niet bijzonder geveegd,
- betrekkelijk geringe zeeg.

De kop van de Johan Willem Friso, gefotografeerd in de loods van P. Piersma te Heeg; de gepiekte bodem is te zien.

5. Typerende kenmerken van de jachten van Jan Visser

Uit de eerder aangehaalde passage in het artikel van De Jong over zijn jacht Nelly 2) blijkt dat Jan Visser er naar streefde zijn jachten een grote snelheid te bezorgen.
Hij trachtte dit te bereiken door:
- een gepiekte spantvorm,
- een sterk geveegd achterschip,
- een vol voorschip.
Bij de besproken jachten zijn deze kenmerken inderdaad terug te vinden, zij het niet bij elk schip alle tegelijk of in dezelfde mate. De oudste jachten, Poseidon en Johan Willem Friso, zijn duidelijk sterk gepiekt en hebben een steil vallende voorsteven. Bij de Johan Willem Friso is de overhang zelfs extreem klein. De Stanfries daarentegen heeft een zwak V-vormig vlak en is alleen zwak gepiekt in voor en achterschip. Het voorschip is niet bijzonder vol. Zowel dit jacht als de Poseidon vertonen echter een uitgesproken slank achterschip, wat bij de Johan Willem Friso niet voorkomt. Het lijkt erop, dat Jan Visser de drie genoemde elementen in wisselende combinaties heeft willen uitproberen. Verder valt het op, en dat geldt niet alleen voor de Poseidon maar voor alle drie deze jachten, dat zowel de kop als het achterschip betrekkelijk laag zijn.
De zeeg van de jachten van Visser is duidelijk geringer dan die bij jachten van andere werven. Kwantitatief zijn de genoemde eigenschappen uit te drukken door middel van enige verhoudingstabellen, af te leiden uit de maten van tabel 1. Deze verhoudingsgetallen zijn een relatieve maat voor bepaalde vormeigenschappen; wij noemen ze hier vormfactoren. Gelijkvormige schepen van ongelijke grootte hebben gelijke vormfactoren. Zodoende is het mogelijk, de vormen van schepen van ongelijke lengte kwantitatief met elkaar te vergelijken en karakteristiek verschillen tussen jachten van verschillende bouwers aan het licht te brengen. 

Ter voorbereiding van een documentaire publicatie over Friese Jachten, heeft de auteur afmetingen verzameld van bijna alle varende Friese Jachten. Daardoor is het mogelijk de jachten van Visser te vergelijken met bijvoorbeeld die van Lantinga en van Van der Zee. Typerende verschillen komen tot uitdrukking bij vergelijking van een aantal vormfactoren gegeven in tabel 2. De lezer gelieve, in afwachting van een volgende publicatie over dit onderwerp, de cijfers voor Van der Zee en Lantinga voorlopig zonder meer te accepteren.

In de tabel zijn voor de drie onderzochte jachten van Visser vijf karakteristieke vormfactoren gegeven, die het onderscheid met de jachten van Van der Zee en die van Lantinga duidelijk doen blijken, en wel
Hk/a : een maat voor de steilheid van de voorsteven
Hk/ls: een maat voor de relatieve hoogte van de kop
Ha/ls: een maat voor de relatieve hoogte van het achterschip
Ho/Hs: een maat voor de mate van geveegdheid
Hk+Ha 2Ho : een maat voor de zeeg 

In de zesde kolom is het gemiddelde voor de jachten van Visser gegeven; ter vergelijking in de twee volgende kolommen, gemiddelden voor zeven jachten van Van der Zee en voor tien jachten van Lantinga. Uit de getallen in tabel 2 blijkt duidelijk een vormverschil tussen de Friese Jachten van verschillende bouwers. Op de verschillen tussen de jachten van Van der Zee en van Lantinga gaan wij in deze publicatie niet in.

Wat de jachten van Visser betreft, duidelijk is, dat de getallen in tabel 2 tot dezelfde conclusies leiden als wat visueel kan worden vastgesteld, namelijk: de jachten gebouwd door Jan Visser
- hebben een geringere zeeg,
- zijn (veel) sterker geveegd,
- zijn in de kop en kont lager, dan de jachten van Van der Zee en Lantinga.
Individuele verschillen tussen de jachten onderling kunnen het gevolg zijn van de eisen van de opdrachtgevers en mogelijk, zoals al eerder verondersteld, van experimenteerlust van de bouwer zelf. Kwantitatieve vastlegging van de vormeigenschappen heeft het grote voordeel dat een subjectief oordeel objectief ondersteund kan worden. In de volgende paragraaf zullen wij zien, dat deze procedure het mogelijk maakt met vrij grote zekerheid de herkomst van het Friese jacht Froukje vast te stellen.

6. Het jacht Froukje

Zoals in de inleiding gesteld, is schrijver dezes geneigd het Friese jacht Froukje toe te schrijven aan Jan Visser. Teneinde dit vermoeden te onderbouwen, heeft de eigenaar ons in staat gesteld opmetingen te verrichten. Het daarop gebaseerde lijnenplan is afgebeeld in figuur 5. De spanten zijn getekend op afstanden van 40 cm langs de kiel, gerekend vanaf het voorste punt van de voorsteven. De afstanden tussen de verticalen bedragen 30 cm, die tussen de waterlijnen 20 cm. De lijnen vertonen gelijkenis met die van de Stanfries. Evenals bij dit jacht zijn de spanten alleen in voor- en achterschip enigszins gepiekt; bij de Froukje echter in het achterschip meer dan in het voorschip. Dientengevolge zijn de waterlijnen naar achteren toe wat gestrekter. De lange lijnen lopen, evenals de aansluiting van de huid met scheg en achtersteven, zeer geleidelijk omhoog. Het achterschip is daardoor zeer slank, met een geringe holte. De boeisels staan zeer schuin en het jacht heeft zijn grootste breedte opmerkelijk ver naar achteren, op meer dan viertiende van de lengte over de stevens.

Zijaanzicht van de Froukje, afgemeerd in Grou

De huid is opgebouwd uit acht gangen, die alle van steven tot steven doorlopen. De aansluiting tussen de vijfde en zesde gang, gerekend vanaf het berghout, vertoont over een lengte van ruim 3 m een zwakke knik. De kielgang steekt 1 cm onder de zandstroken uit en heeft een grootste breedte van 22 cm.
De hoofdafmetingen van het jacht zijn:

Reeds op het oog opvallend aan dit jacht zijn de overeenkomsten met de jachten van Visser, namelijk:
- betrekkelijk bolle kop met tussen konen terug liggende voorsteven
- kleine overhang voor
- sterk geveegd achterschip
- lage, zeer schuinstaande achtersteven
- geringe zeeg.

Voor/zijaanzicht van de Froukje - 1980.

Deze visuele indruk wordt bevestigd, als wij de verhoudingsgetallen beschouwen die uit de boven gegeven afmetingen van de Froukje zijn afgeleid. Vergelijken wij de vormfactoren in tabel 4 met die in tabel 2, dan blijken ze geheel te vallen binnen de marges van de vormfactoren van de jachten van Visser. Het is een feit dat alle Friese Jachten, gebouwd door Van der Zee, en dat geldt ook voor het voorbeeld Argo, een (veel) voller achterschip hebben met hogere en steiler achtersteven. Verder zijn deze zonder uitzondering over de geheel lengte gepiekt gebouwd en vertonen meer zeeg. 

Op grond van deze overwegingen menen wij te mogen concluderen, dat het jacht Froukje met vrij grote zekerheid aan Jan Visser mag worden toegeschreven. Wij hebben deze conclusie voorgelegd aan een nog in leven zijnde neef van Jan Visser, de heer Wiep Visser te Workum. Deze heeft op ons verzoek in 1990 tijdens de lustrumreünie van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten in Heeg de Froukje grondig bekeken en meent zoveel overeenkomsten met de in Paterswolde gebouwde jachten te zien, dat hij kan instemmen met onze conclusie, dat dit jacht aan zijn oom mag worden toegeschreven. 

Blijft tenslotte de vraag, in welk jaar dit jacht zou kunnen zijn ontstaan. Van de ronde jachten van Visser, vermeld in de monografie van Huitema 5), komt alleen een van de drie die voor 1909 zijn gebouwd, in aanmerking. Huitema vermeldt, dat deze alledrie dezelfde afmetingen hadden, iets kleiner dan het voorbeeld de Argo. De lengte van de Froukje, namelijk 6,15 m over de stevens, is daarmee zeer goed in overeenstemming. Het bouwjaar zou dus kunnen zijn 1902, 1906 of 1908.

Hemelum, november 1990

Hennebalk van de Froukje.

Noten

1. Huitema, T. Monografieën van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten pp.310-316.  Loeff, J. "Argo, een Fries Jacht" in: De Waterkampioen XXVIII (1957) pp. 34-35.
2. Jong, J. de "Onze Tjotters" in: De Watersport VII (1918), pp. 126-128
3. Jong, J. de "De Twee Provinciën" in: Ons Element II (1921) pp. 558 e.v.
4. De twee bij het artikel in De Watersport VII (1918) geplaatste foto's van de Nelly, evenals die in De Watersport IX (1920) p. 42, laten zien dat dit schip, zoals trouwens alle tjotters van Visser, was voorzien van berghouten, kluisborden, beretanden en een smal roer; tegenwoordig noemen wij boten met deze kenmerken Friese jachten.
5. Huitema, T. "Ronde jachten van Visser Paterswolde" in: Monografieën van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten pp. 303-309.
6. "De Uitkijk" in: De Waterkampioen I (1927), p. 898.

SSRP Monografieën 31. Kenmerken van de Friese jachten gebouwd door Jan Visser - Paterswolde